woensdag 7 mei 2014

Toetsen; heeft het zin of is het onzin?

Binnen onze maatschappij rijst steeds sterker de vraag of toetsen zin heeft. Wie herinnert zich niet de CITO toets die je aan het einde van je basisschoolcarrière maakte? Wat was je zenuwachtig en dan nog maar niet te spreken over het wachten op de uitslag van de toets. Kon je wel echt naar de school die je voor ogen had? En kon je wel echt het niveau aan dat je wilde?

De leraar had destijds in mijn klas al losgelaten wat hij iedereen adviseerde, de resultaten gedurende het jaar wogen toch hoger dan de CITO toets. Dus al op scholen wezen kijken en je keuze gemaakt. Toen de uitslag kwam bleek mijn toets nog goed gemaakt te zijn ook! Ik behoorde niet eens tot de “slechtste” van de klas. Apentrots was ik! Ik ging door naar het VBO, nu bekend als VMBO, waarna ik mijn MBO opleiding afrondde en in de gehandicaptenzorg aan het werk ging.

Toen ik via een omweg binnen de kinderopvang aan het werk ging als pedagogisch medewerker, maakte ik weer kennis met de CITO toets. De kinderen die ik op school ophaalde om naar de BSO te gaan vertelden me dat ze een  CITO toets hadden gedaan en dat ze er morgen nog één hadden.
Ik weet nog dat ik dacht “jeetje, zijn die kinderen niet wat jong?” “Mogen ze niet meer gewoon spelen in de kleuterklas?”. Samen met mijn collega’s sprak ik hierover, ook zij konden zich vinden in mijn gedachtegang.
Aan het einde van het schooljaar kwamen kleuters zelfs met een rapport van school. Ik weet nog dat ik een grapje maakte naar mijn collega’s toe “voor spelen een tien!”. Maar het rapport was veel uitgebreider en het kind werd “beoordeeld” op aardig wat punten.

Nu een opleiding verder (Pedagogisch Management Kinderopvang) en aan het werk als Pedagogisch Manager binnen de kinderopvang krijg ik ook te maken met de toetsen. Nu zelfs in de peuterleeftijd.
Samenhangend met het VVE programma werken wij ook met CITO toetsen. We hebben de observatie-instrumenten, die we hadden, laten varen en werken nu met de observatie- en toetsmaterialen van CITO.
Ditmaal kwamen weer mijn eerdere gedachten naar boven. Maar inmiddels ook de theorie uit mijn opleiding als het gaat om de doorgaande lijn naar de basisschool. Hoe kunnen we als kinderopvanglocatie en basisschool op elkaar aansluiten als het gaat om de ontwikkeling van het kind en het kind hier optimaal in stimuleren?

Terug naar de praktijk, toetsen op locatie dus. Dat is waar we nu een jaar geleden mee zijn gestart. Uiteraard heb ik me als manager eerst goed verdiept in de toetsen en heb ik gekeken hoe ze werkten. Ook bij collega managers heb ik destijds informatie gewonnen. Ze noemde de CITO toets een spelletje. Kinderen krijgen een boekje voor zich met daarop drie plaatjes, medewerkers stellen de vraag en kinderen wijzen het juiste plaatje aan. Klonk voor mij niet zo toetsachtig als ik verwacht had.
Maar dan nog kwam het oordelen bij mij boven borrelen. Kunnen we oordelen over de ontwikkeling van het kind aan de hand van een “spelletje?”.
Ook de medewerkers op de groepen kwamen met de argumenten of kinderen geen kind meer mochten zijn en of we ze op deze leeftijd al moeten beoordelen.

Ik besloot mijn afstudeeropdracht aan te passen op de veranderingen binnen de kinderopvang. Het toetsen van kinderen en het veroordelen van hun prestaties. Na wat vooronderzoek kwam ik uit op het volgende onderwerp: opbrengstgericht werken binnen VVE. Opbrengstgericht werken houdt kort gezegd in: hoe je het kind volgt in de ontwikkeling, dit vastlegt en hoe je kinderen stimuleert op een planmatige manier.
Door onderzoek won ik steeds meer informatie en kwam ik steeds meer te weten over de achtergrond van het toetsen.

Door mijn afstudeeropdracht had ik inmiddels mijn mening gevormd. Deze heb ik gedeeld met de medewerkers. Mijn inziens is toetsen met CITO geen beoordeling. Het is een hulpmiddel voor de pedagogisch medewerker of leerkracht.
Aan de hand van de toets resultaten zien de pedagogisch medewerkers en later ook de leerkrachten waar kinderen nog een duwtje in de rug kunnen gebruiken en wat kinderen niet moeilijk vinden en goed kunnen. Op die manier kun je aansluiten op de behoeften van een kind.
Wanneer je merkt dat een kind moeite heeft met tellen en wel goed is in het herkennen van de kleuren kun je hier als pedagogisch medewerker op in springen. Je kan het kind vragen om 1 oranje kraal uit de bak te pakken en 1 groene kraal. Daarna kun je samen de kralen tellen. Dit kun je herhalen. Het kind krijgt hierdoor succeservaringen en wordt meteen gestimuleerd op een gebied waar hij moeite mee heeft, het tellen.

Inmiddels werken wij een jaar met CITO en het heeft heel wat “aha” momentjes opgeleverd bij de medewerkers. Ook merk ik dat ze bewuster naar de ontwikkeling van het kind kijken en hier op een speelse manier op in springen. Wanneer kinderen naar de basisschool  gaan worden de observaties en toets gegevens van CITO naar school gestuurd samen met het overdracht formulier. Leerkrachten weten dan meteen waar de leerling  ondersteuning kan gebruiken en wat hij goed kan. Ook wordt aandacht besteed aan hoe het kind is in de groep en dergelijke.

Natuurlijk blijft het een toets, een moment opname, en blijft er altijd de vraag of kinderen al zoveel “moeten” kunnen op deze leeftijd. Uiteraard blijft de kennis en de ervaring van de pedagogisch medewerkers met het kind meetellen en wordt dit ook overgedragen aan de basisschool. Willen we teveel weten van het kind? Moet het kind teveel? Zijn we als maatschappij, ouders en pedagogisch medewerkers te resultaatgericht? Of stimuleren we op een gerichte wijze de ontwikkeling? Of is het de manier waarop we tegen de toetsen aankijken?

Is het onzin? Of heeft toetsen toch zin?

Hellen is één van de studenten van de eerste lichting die is afgestudeerd als PMK'er (Pedagogisch Management Kinderopvang). Ze is een jonge, creatieve manager, die altijd op zoek is naar verbinding en vernieuwing. Ze heeft dan ook een frisse kijk op de kinderopvang.